Het Nederlands
Hooiberg Museum

Dieren in de hooiberg

Het laden van de hooiberg

Wanneer het hooi op het grasland zo droog was dat het kon worden opgeslagen werd het op hooiwagens geladen. Dat was zwaar werk in de hitte van de zomer. Het hooi werd vastgelegd met een balk in de lengte over het opgetaste hooi (de wezeboom) en voor en achter aan de wagen vastgebonden. Daarna gingen paard en wagen volgeladen op een sukkeldraf naar huis. Thuis aangekomen wachtte opnieuw zwaar werk. Het hooi moest in de berg gebracht worden. Optassen heet dat. De term wordt zowel voor stro, koren als voor hooi gebruikt. Het optassen van het hooi in de berg is een vak apart. Niet goed opstapelen betekent dat de berg kan uitzakken en dan kan hij uit elkaar vallen, maar ook de regen heeft vrij spel. Bij het begin van het optassen hangt de kap nog in de laagste stand. Naarmate er hooi in de berg werd gestapeld wordt steeds eerst de kap omhoog gebracht. Bij de grote zesroeders in de Hollanden en Betuwe en Twente nam dat werkje alleen al iedere keer een dag in beslag!

Omdat er vaak niet alleen hooi maar bijvoorbeeld ook koren in de berg ging en om hooibroei te voorkomen raakte de berg nooit ineens vol. Bij het vullen werkt men met meerdere personen tegelijk. Eerst stak men het koren of het hooi op van de wagen naar de berg. De sterke man die dat moest doen werd afsteker genoemd. Een tweede man verdeelt het in de berg over de hele oppervlakte. Als de opstapeling te hoog werd ontstond bij de afsteker in de berg een uitkeping: het kaakgat in de berg. Hier kwam een tweede man het vervolgens aannemen. Bij het vullen van de berg kon hogerop opnieuw een gat uitgespaard worden.


Wie goed oplet ziet bij de grotere hooibergen de roeden altijd wat naar buiten steken. De bergkap kent zoveel speling dat bij het omhoog krikken het uitwijken van de roeden nog net kan worden opgevangen door de gaten waarbinnen de roeden door de kap lopen. Er is een goede reden voor dat uitwijken. Bij het laden van de berg gaat het hooi altijd wat uitzakken, en krijgt de berg een “buik”. De kap kan dan niet meer de buitenkant afdekken, er is grote kans op inregenen en uitzakken van de berg. Door de uitwijkende stand van de roeden is de kap altijd breder dan de buik van de berg en zullen welen buiten de berg kunnen hangen. Je moet het maar weten. Bij steltenbergen, waar een tasvloer een stuk boven de grond het plafond vormde van een ruimte voor diverse doeleinden en erboven het hooi of koren kwam, werden ook vaak bieten en aardappelen bewaard: het vriest er immers nauwelijks.

Zit het hooi uiteindelijk in de berg dan komt de kans op hooibroei. De geur die dan ontstaat verraadt dit proces. Al in de 17e eeuw kende men de hooiroede, een ijzeren staaf van drie tot vier meter, die men in de berg stak. Na een uur werd deze er weer uitgehaald en kon men aan het ijzer de temperatuur voelen.

's Winters werd het hooi weer uit de berg gehaald en naar het vee gebracht. Dat was soms omgekeerd werken: het hooi werd bovenuit de berg gegooid, en met kruiwagen of slepen aan de hooivork naar de deel gebracht. In de schuurberg en de steltenberg was er vaak in het midden van de tasvloer een gat, waardoorheen het hooi op de deel gegooid kon worden. Dat gat werd tijdens het vullen van de berg opengehouden door een houten bak. Rond Kampen had men nog een andere oplossing (zie verder) Rond 1925 kwam, althans bij de nieuwe bergen met de ijzeren en betonnen roeden en het stijve dak, de hooigrijper in zwang. Aan de kap werd van binnen naar buiten een ijzeren balk gemonteerd waaraan een hooigrijper kwam te hangen. Via een katrolsysteem kon de grijper tot buiten de berg komen, naar beneden worden gebracht om een pluk hooi te grijpen, weer omhooggetrokken worden en daarna in de berg worden gelost. De typische Zuiderzeebergen hebben nog steeds koekoeken (grijperkast) in de kap om van dit mechanisme gebruik te kunnen maken. Voor het bewegen van de grijper werd een paard ingezet.

Kampen De boerin bedient samen met het paard de grijper die uit de berg hangt, boven de kar. Zie de pluk hooi boven de kar hangen Zie ook de pagina over de werking van de Kamper grijper.

Het volgend mechanisme dat werd ontwikkeld om de berg te beladen is de hooiblazer of het hooikanon. Onder bij de berg staat een lade waarin onder hoge druk lucht wordt geperst.

Het Groene Hart. Overal ijzeren bergen met hooiblazers. Hier een ijzeren kap, met de monding van de blaaspijp. Deze lucht wordt door een buizensysteem tot boven in de berg gebracht. De foto toont een deel van een berg langs de Kromme Meie met de buis vast aan de kap gemonteerd. Het verticale deel naar de grond en de blaasventilator staan opgeslagen in de schuur in afwachting van de hooitijd. De boer gooit beneden hooi in de lade en dit komt er boven in de berg weer dwarrelend uit. Boven zorgen welen er voor dat het hooi niet de berg wordt uitgeblazen. Ook die welen liggen nu in de schuur.

Op de volgende foto is duidelijk te zien hoe deze blazer in Kampen nog steeds zijn werk doet. Kampen Hooiblazer bestaande uit blaasapparaat met ventilator en stukken pijp om de lengte te maken die nodig is. +